Damsluis in de Slotertocht (A4)
De Slotertocht loopt als één van de
hoofdtochten van de
Haarlemmermeerpolder evenwijdig tussen de Rijnlanderweg (W)
en de Aalsmeerderweg (O) op één kilometer van beide verwijderd.
Toen op het eind van de jaren-1920 de nieuwe rijksweg van
Amsterdam naar ‘'s-Gravenhage en Rotterdam werd aangelegd
(de huidige A 4), wijzigde de situatie die bij aanleg van
de linie door de Haarlemmermeerpolder bestond ingrijpend.
Ter verdediging van het nieuwe acces dat evenwijdig aan en
westelijk naast de tocht de linie doorsneed, legde de landmacht
in de liniewal één kanonkazemat ‘Slotertocht Midden’ en twee
mitrailleurkazematten ‘Slotertocht Noord en Zuid’ aan,
geconstrueerd in gewapend beton volgens de Voorschriften tot
het Inrichten van Stellingen.
De damsluis in de Slotertocht, die in fasen was aangelegd tussen
1890 en 1895, bleef naast de rijksweg behouden.
Oorspronkelijke bestemming was: ‘om den Slotertocht in
oorlogstijd te kunnen afsluiten en daardoor de onderbreking,
die ten behoeve van de scheepvaart en de polderbemaling in
vredestijd in den Slaperdijk aanwezig moet zijn, te dichten’.
Met het afgraven van de liniewal aan de rijksweg ging het
driesteens-segment booggewelf, waaronder de Slotertocht door
het dijklichaam werd geleid verloren, zodat er een geheel
open doorstoomopening ontstond.
Niettemin bleef de sluis voor het overige in tact.
Onderheid roosterwerk draagt de in baksteen opgetrokken (en
in kruisverband gemetselde) sluis, bestaande uit een gemetselde
vloer, sluiswanden met schotbalksponningen aan beide einden en
eindigend in gespreide vleugelmuren. In het metselwerk paste men
hardsteen toe voor de afwerking: de schotbalksponningen (drie
paar in het buitenhoofd en één paar in het binnenhoofd) en de
aansluitend de dorpels in de sluisvloer, de dekzerken op de bij
aanleg niet overkluisde gedeelten van de sluiswand, de hoeken der
vleugelmuren en tegen de geboorte van het gewelf de tweemaal drie
hardstenen haalkommen (voorzien van smeedijzeren grijpankers).
Zoals de ijzeren bevestigingspennen in het metselwerk aangeven,
bevond zich tegen de zuidwestelijke vleugelmuur een peilschaal.
Over de beide sluishoofden ligt een brug, in het verlengde van de
steunbermen aan de liniewal. Vrijwel overal elders werden ze
vervangen, maar hier bleven ze behouden door de aanwezigheid van
de rijksweg, die de verbinding langs de linie onderbrak.
Uit de tijd van de aanleg der sluis stamt de brug over het
binnensluishoofd. Twee gewalste ijzeren profielen vormen de liggers
die in het muurwerk werden verzonken. Daarop maken grenenhouten
delen het brugdek dat door twee smeedijzeren leuningen geflankeerd
wordt.
De leuningen van de brug over het buitensluishoofd (ZW) met enigszins
gebogen verloop hebben de eerste vervangen, mogelijk met de aanleg
van de kazematten eind jaren-1920. Voor het overige is deze brug
gelijk aan de andere. Het is denkbaar dat met de leuningen ook het
brugdek (gedeeltelijk) vernieuwd werd.
Op de kruin van de liniewal staan ten zuidoosten van de damsluis de
lage muren als onderbouwen van de schotbalkopleggingen. Beide bestaan
zonder schotbalken en kappen als drie evenwijdige eensteensmuren met
grenenhouten muurplaat.
In maatvoering en detaillering kwam deze sluis bij aanleg overeen met
de damsluis in de IJtocht, welke noordelijker in dezelfde linie
werd aangelegd.


